Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2003 tot en met 2011. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende geen dividendnota’s over de jaren 2003-2007 heeft overgelegd, waardoor teruggaaf over die jaren niet kan worden toegekend.
Voor de jaren 2008 tot en met 2011 geldt het regime van de afdrachtvermindering. De rechtbank volgt het arrest van de Hoge Raad van 9 april 2021, waarin is geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor deze tegemoetkoming. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken of prejudiciële vragen te stellen.
Belanghebbende stelde dat het niet toekennen van teruggaaf aan buitenlandse fondsen neerkomt op verboden staatssteun aan binnenlandse fondsen. Dit standpunt wordt verworpen met verwijzing naar een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 april 2023, waarin is geoordeeld dat het fbi-regime niet selectief is en dat het niet toekennen van teruggaaf aan buitenlandse fondsen volgt uit de uitleg van het Unierecht.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst de verzoeken om teruggaaf af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.