ECLI:NL:RBZWB:2023:7075

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 oktober 2023
Publicatiedatum
11 oktober 2023
Zaaknummer
BRE 21/838, 22/587 en 23/620
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 223 GemeentewetVerordening op de heffing en de invordering van een forensenbelasting [plaats 1] 2020Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2354
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling belastingplicht forensenbelasting bij geen hoofdverblijf in gemeente

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 10 oktober 2023 uitspraak gedaan in de zaak waarin belanghebbende bezwaar maakte tegen drie aanslagen forensenbelasting over de jaren 2020, 2021 en 2022 opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente.

Belanghebbende was eigenaar van een woning in de gemeente en tevens van een woning elders. Hoewel hij in de Basisregistratie Personen (BRP) stond ingeschreven op het adres in de gemeente, stond zijn echtgenote ingeschreven in een andere gemeente waar zij haar hoofdverblijf had. De rechtbank beoordeelde of belanghebbende zijn hoofdverblijf in de gemeente had, wat bepalend is voor de belastingplicht.

De rechtbank overwoog dat het begrip hoofdverblijf naar de omstandigheden moet worden beoordeeld en dat belanghebbende de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat zijn hoofdverblijf in de gemeente lag. Uit de ingebrachte bewijsstukken, waaronder inschrijving huisarts, bankafschriften en verbruikscijfers, bleek dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de woning in de gemeente zijn hoofdverblijf was. Het lage energie- en waterverbruik en het geconcentreerde uitgavenpatroon wezen op een ander middelpunt van leven.

Daarom oordeelde de rechtbank dat de aanslagen terecht waren opgelegd en verklaarde de beroepen ongegrond. Belanghebbende kreeg geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De aanslagen forensenbelasting voor 2020-2022 zijn terecht opgelegd en de beroepen worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 21/838, 22/587 en 23/620

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2023 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats 1] , de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 25 januari 2021, 20 december 2021 en 13 december 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende drie aanslagen forensenbelasting opgelegd voor de jaren 2020 tot en met 2022 (de aanslagen).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de heffingsambtenaar, [naam] .
1.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen terecht zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende in de jaren 2020, 2021 en 2022 belastingplichtig voor de forensenbelasting. De aanslagen zijn daarom terecht opgelegd. Na een opsomming van de feiten legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende is eigenaar van een woning gelegen aan [adres 1] in [plaats 1] (de woning).
3.1.
De heffingsambtenaar heeft voor de woning aanslagen forensenbelasting opgelegd voor de jaren 2020 tot en met 2022.
3.2.
Belanghebbende is tevens eigenaar van een woning gelegen aan [adres 2] in [plaats 2] .
3.3.
Belanghebbende is gehuwd met [de echtgenote] .
3.4.
De echtgenote staat in de jaren 2020 tot en met 2022 in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) ingeschreven op het adres in [plaats 2] . Zij had daar haar hoofdverblijf. Belanghebbende staat in de betreffende jaren in de BRP ingeschreven op het adres van de woning.

Overwegingen

4. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
4.1.
Uit de Verordeningen op de heffing en de invordering van een forensenbelasting [plaats 1] 2020 en de gelijkluidende Verordeningen voor de jaren 2021 en 2022 (hierna: Verordening) blijkt dat binnen de gemeente [plaats 1] forensenbelasting wordt geheven van de natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar, voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
4.2.
Niet in geschil is dat belanghebbende in 2020, 2021 en 2022 meer dan 90 dagen per kalenderjaar vrijelijk over de gemeubileerde woning kon beschikken.
4.3.
Belanghebbende voert aan dat hij niet belastingplichtig is voor de forensenbelasting, omdat hij in voornoemde jaren zijn hoofdverblijf had in [plaats 1] . Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst hij naar door hem ingebrachte stukken.
4.4.
Vast staat dat belanghebbende in de betreffende jaren stond ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) in [plaats 1] ingeschreven en dat zijn echtgenote in die jaren haar hoofdverblijf in [plaats 2] had.
4.5.
De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar alleen bevoegd was om een aanslag forensenbelasting over 2020, 2021 en 2022 op te leggen, wanneer beide echtgenoten hun hoofdverblijf elders dan in de gemeente [plaats 1] hadden. Of iemand in een gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. De omstandigheden en feiten moeten uitwijzen met welke gemeente belanghebbende de sterkste band had om aan te merken als hoofdverblijf. Uit jurisprudentie [1] blijkt dat ten aanzien van het begrip ‘hoofdverblijf’ een afwijkende bewijslastverdeling geldt. In beginsel rust op de heffingsambtenaar de last om aannemelijk te maken dat voldaan wordt aan de voorwaarden van het belastbare feit door aannemelijk te maken dat de woning in de gemeente [plaats 1] niet het hoofdverblijf was van belanghebbende. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt echter met zich mee dat een afwijkende verdeling van die bewijslast geldt, omdat het gaat over het aandragen van feiten en omstandigheden die moeten dienen ter beantwoording van de vraag waar het middelpunt van iemands leven zich bevindt. De heffingsambtenaar zou anders immers een negatief bewijs moeten leveren, hetgeen, naar algemeen wordt aangenomen, zo goed als onmogelijk is. In de jurisprudentie wordt dan ook aangenomen dat in het onderhavige geval belanghebbende de meest aangewezen partij is om aannemelijk te maken dat hij zijn hoofdverblijf in de jaren 2020, 2021 en 2022 in de gemeente [plaats 1] had. Dat dient belanghebbende door middel van objectieve en verifieerbare bewijsmiddelen te doen.
4.6.
De enkele inschrijving in de BRP is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om te concluderen dat het hoofdverblijf van belanghebbende zich in [plaats 1] bevindt. Uit de andere door belanghebbende aangedragen omstandigheden, waaronder de inschrijving bij de huisarts, de overgelegde bonnetjes en bankafschriften met pintransacties en de afrekeningen van zijn gas-, elektriciteit- en waterverbruik kan de rechtbank evenmin afleiden dat het middelpunt van het leven van belanghebbende in [plaats 1] was gelegen. Uit de door belanghebbende overgelegde bonnetjes en bankafschriften is gebleken dat de uitgaven zich steeds concentreren rondom enkele dagen.
4.7.
Daarnaast neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat belanghebbende een zeer laag gas- en elektriciteit- en waterverbruik had in de jaren 2020, 2021 en 2022. Weliswaar heeft belanghebbende een verklaring voor zijn lage verbruik gegeven, maar die verklaring acht de rechtbank onvoldoende. De algemene verbruikscijfers van voorzieningen die in de woning aanwezig zijn en met name belanghebbendes eigen verklaring van de frequentie van het gebruik van die voorzieningen waarop de berekeningen van belanghebbende zijn gestoeld, zijn geen objectieve en verifieerbare bewijsmiddelen. De heffingsambtenaar heeft daarnaast overtuigend aangetoond dat de berekeningen niet passen bij algemeen geaccepteerde Nibud-normen, rekening houdend met de omstandigheden van het geval en met name niet stroken met het werkelijke gas, elektriciteit- en waterverbruik.
4.8.
Gelet op voorgaande overwegingen volgt de rechtbank daarom het standpunt van de heffingsambtenaar dat de combinatie van het rond enkele dagen gecentreerde uitgavenpatroon en het zeer lage gas-, elektriciteit- en waterverbruik maakt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de woning zijn hoofdverblijf was. Dit betekent dat belanghebbende voor de jaren 2020, 2021 en 2022 terecht als belastingplichtige voor de forensenbelasting is aangemerkt.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen forensenbelasting voor de jaren 2020, 2021 en 2022 in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van de Langerijt-Suurmeijer, griffier, op 10 oktober 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “
Formulieren en inloggen” op
www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Bijlage

Gemeentewet
Artikel 223
1. Er kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig malen nachtverblijf houden, anders dan als verpleegde of verzorgde in een inrichting tot verpleging of verzorging van zieken, van gebrekkigen, van hulpbehoevenden of bejaarden, of er op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
2. (…)
3. Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Verordening op de heffing en de invordering van een forensenbelasting [plaats 1] 2020 [2]
Artikel 1
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van Pro de Gemeentewet.
Artikel 2
1. Onder de naam 'forensenbelasting' wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
2. Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

Voetnoten

1.Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2354.
2.Gelijkluidend voor de jaren 2021 en 2022.