De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 14 november 2023 uitspraak gedaan in de gecombineerde zaken BRE 21/3083 en 23/9508 betreffende het fiscaal inwonerschap van belanghebbende na emigratie naar Malta en de juistheid van opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en conserverende aanslagen over 2014.
Belanghebbende, met de Britse nationaliteit, had zich per 29 januari 2014 uitgeschreven in Nederland en woonde sindsdien op Malta. De inspecteur stelde dat belanghebbende nog fiscaal inwoner was van Nederland en legde aanslagen op. De rechtbank beoordeelde de bewijslast en concludeerde dat belanghebbende niet langer fiscaal inwoner was van Nederland na genoemde datum, mede gelet op zijn woonplaats, familiebanden en verblijf in Malta.
De rechtbank stelde vast dat de aanslag inkomstenbelasting moest worden verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van €5.000 en de conserverende aanslag tot een te conserveren inkomen uit aanmerkelijk belang van €1.481.999. Tevens kende de rechtbank belanghebbende een forfaitaire proceskostenvergoeding van €2.980,50 en een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van in totaal €3.000.
De beroepen van belanghebbende werden gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de aanslagen verminderd. De inspecteur en Minister werden veroordeeld tot betaling van de genoemde vergoedingen en het griffierecht werd aan belanghebbende vergoed.