Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2023 in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur,
de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
- of de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd;
- of de inspecteur gebruik heeft gemaakt van onrechtmatig verkregen bewijs en zo ja, of het gebruik daarvan toelaatbaar is;
- of de inspecteur beschikte over een grond tot navordering;
- of de (navorderings)aanslagen en de boete- en rentebeschikkingen terecht en tot juiste bedragen zijn opgelegd/gegeven; en
- of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Feiten
1.Voorwerp:Personenauto, Mercedes Benz (Brabus) met [kenteken 1] (…)
Motivering
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond voor zover het de vergrijpboete IB/PVV 2016 betreft;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze de vergrijpboeten IB/PVV 2014, 2015 en 2016 betreffen;
- vernietigt de vergrijpboete IB/PVV 2016;
- matigt de vergrijpboete IB/PVV 2014 tot € 45.402;
- matigt de vergrijpboete IB/PVV 2015 tot € 44.615;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 919;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 3.581;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 96 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.893,75 aan proceskosten aan belanghebbende.