ECLI:NL:RBZWB:2023:9162
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Verzoekster kreeg een bijstandsuitkering toegekend als alleenstaande ouder en woonde met haar minderjarige kind op een adres in Zeeuws-Vlaanderen. Het college trok haar bijstandsuitkering met terugwerkende kracht in per 20 juli 2023, omdat zij niet had gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-partner, met wie zij twee kinderen heeft.
Het college baseerde de intrekking op onderzoeksbevindingen van de Sociale Recherche, waaronder waarnemingen, buurtverklaringen, een huisbezoek en informatie van de werkgever van de ex-partner. Deze gegevens wezen erop dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van de ex-partner lag op het uitkeringsadres, wat een gezamenlijke huishouding impliceert. Verzoekster voerde aan dat het college onvoldoende had aangetoond dat haar ex-partner daadwerkelijk op het adres woonde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat de ex-partner zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had en dat verzoekster daarmee de inlichtingenplicht had geschonden. Omdat het besluit naar verwachting in bezwaar stand houdt, werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.