ECLI:NL:CRVB:2023:1905
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde na onderzoek vast dat zij vanaf de geboorte van haar kind in 2019 een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner, zonder dit te melden. Het college trok de bijstand in, vorderde kosten terug en beëindigde de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij en haar partner niet voldoende begrepen hadden wat zij verklaarden en dat de wijziging van de beëindigingsdatum onrechtmatig was. De Raad oordeelde dat de verklaring van appellante en haar partner, ondertekend en ondersteund door waarnemingen en huisbezoek, voldoende was om de gezamenlijke huishouding aannemelijk te maken.
De Raad verwierp het beroep ook op onrechtmatigheid van de wijziging van de beëindigingsdatum, omdat het college met het intrekkingsbesluit ook de beëindiging beoogde. Het hoger beroep werd afgewezen, de intrekking, terugvordering en beëindiging van de bijstand bleven in stand en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking, terugvordering en beëindiging van bijstand blijven in stand.