ECLI:NL:RBZWB:2023:9267
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Bodemzaak
- Ebben
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering eigen bijdrage PGB tegen formele rechtskracht beschikking CAK
Het CAK vordert betaling van een eigen bijdrage van €1.856,18 plus wettelijke rente van [gedaagde] over de periode januari tot en met november 2019. [gedaagde] voert verweer dat hij vanaf januari 2019 geen zorg meer heeft ontvangen en dat hij de stukken niet heeft ontvangen. Tevens stelt hij dat de zorgverlening officieel pas in november 2020 is stopgezet, maar feitelijk al eerder was beëindigd.
De rechtbank stelt vast dat de beschikking van het CAK formele rechtskracht heeft omdat geen bezwaar of beroep is ingesteld. Dit betekent dat de burgerlijke rechter terughoudend moet zijn bij toetsing van de geldigheid van het besluit. Een uitzondering op dit beginsel wordt slechts in zeer klemmende gevallen gemaakt, die hier niet aanwezig zijn.
Verder is niet aannemelijk gemaakt dat er in 2019 geen zorg is verleend, aangezien de gebruiksovereenkomst van de kamer pas per 1 december 2019 eindigde en de zorgovereenkomst pas per 1 november 2020. De inhoudingen op de uitkering van [gedaagde] zien op latere periodes en de eigen bijdrage vanaf december 2019 is reeds verrekend.
De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot betaling van het gevorderde bedrag en de rente, en in de proceskosten aan de zijde van het CAK. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en wordt in het openbaar uitgesproken door rechter Ebben.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de eigen bijdrage en wettelijke rente aan het CAK en in de proceskosten.