ECLI:NL:RBZWB:2023:9290
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Bodemzaak
- Van den Boom
- Rechtspraak.nl
Relatiebeding na beëindiging arbeidsovereenkomst en matiging boete
De werknemer trad in 2019 in dienst bij de werkgever en had een arbeidsovereenkomst met een relatiebeding dat na vertrek werkzaamheden voor klanten van de werkgever verbood. Na beëindiging van het dienstverband in 2021 via een vaststellingsovereenkomst (VSO) bleef het relatiebeding van kracht, waarbij actieve acquisitie verboden was en overleg verplicht bij benadering door klanten.
De werknemer verrichtte in 2022 werkzaamheden voor een klant van de werkgever zonder vooraf overleg te plegen, wat door de werkgever als overtreding van het relatiebeding werd gezien. De werkgever vorderde een boete van €5.000, gebaseerd op het boetebeding uit de arbeidsovereenkomst, dat volgens de werkgever ook na de VSO van toepassing bleef.
De kantonrechter oordeelde dat het relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst ook na de VSO van toepassing bleef en dat de werknemer dit had overtreden. De boete werd weliswaar verbeurd, maar de kantonrechter matigde deze tot nihil vanwege de onduidelijkheid over het boetebeding in de VSO, de eenmalige overtreding, het ontbreken van concrete schade en het onprofessionele gedrag van de werkgever.
De vordering tot betaling van de boete werd daarom afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vordering tot betaling van de boete wegens overtreding van het relatiebeding wordt afgewezen en de boete wordt gematigd tot nihil.