ECLI:NL:RBZWB:2024:1292
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na verslechtering klachten
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem per 7 januari 2021 geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Eiser meldde zich ziek vanuit een WW-uitkering vanwege verergerde klachten na een auto-ongeval en stelde dat zijn psychische en fysieke beperkingen zwaarder mee moesten wegen.
De rechtbank heeft het medisch onderzoek van UWV, bestaande uit dossierstudie, spreekuurbezoeken en lichamelijk onderzoek door artsen en verzekeringsartsen, beoordeeld. De artsen concludeerden dat de beperkingen grotendeels gelijk waren aan eerdere beoordelingen, met enkele lichte aanvullingen, en dat de psychische verslechtering na de datum in geding niet in aanmerking kon worden genomen. De rechtbank vond het medisch onderzoek zorgvuldig en zag geen aanleiding tot het aannemen van meer beperkingen.
De door UWV gekozen functies voor de arbeidsongeschiktheidsberekening werden als geschikt beoordeeld, ondanks eisers stelling dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. De rechtbank oordeelde dat hij voldoende in staat is de instructies te begrijpen. De berekening van 26,6% arbeidsongeschiktheid werd niet betwist en is onvoldoende voor recht op WIA-uitkering.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is geweigerd. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.