ECLI:NL:CRVB:2024:155
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving vanaf mei 2017 een WIA-uitkering wegens hoge arbeidsongeschiktheid, maar na een betermelding in 2018 en hervatting van werk via een uitzendbureau, vroeg zij in februari 2021 opnieuw een WIA-uitkering aan. Medisch onderzoek door verzekeringsartsen leidde tot een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waarin beperkingen werden vastgesteld, maar de arbeidsdeskundige berekende een arbeidsongeschiktheid van slechts 0,77%. Het UWV weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen per 21 juni 2021.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsartsen de beperkingen voldoende hadden gemotiveerd, ook ten aanzien van psychische klachten. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat haar klachten en beperkingen werden onderschat, en dat zij vanwege beperkte taalvaardigheid de geduide functies niet kon vervullen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat had gemotiveerd, en dat de arbeidskundige beoordeling juist was. De Raad concludeerde dat appellante ondanks haar taalbeperkingen in staat is de geduide functies te vervullen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is vastgesteld.