ECLI:NL:RBZWB:2024:1323
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zelfstandigenaftrek en urencriterium bij gecombineerde dienstbetrekking en onderneming
Belanghebbende voerde beroep tegen de beslissing van de inspecteur die de zelfstandigenaftrek voor het jaar 2019 had geweigerd omdat niet aan het urencriterium werd voldaan. Het geschil betrof vooral het grotendeelscriterium, dat vereist dat meer dan de helft van de beschikbare werktijd aan de onderneming wordt besteed.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende in 2019 1.398 uren aan zijn onderneming besteedde en 1.544 uren in dienstbetrekking werkte. Omdat de uren in dienstbetrekking niet mogen worden meegeteld voor het grotendeelscriterium, werd geconcludeerd dat het criterium niet werd gehaald. De verwevenheid van werkzaamheden in dienstbetrekking en onderneming leidde niet tot een andere weging van uren.
Beroepen op het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel werden verworpen. De rechtbank vond dat er geen sprake was van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de inspecteur een afwijkend standpunt had ingenomen in eerdere procedures. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag bleef ongewijzigd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op zelfstandigenaftrek over 2019 wegens niet voldoen aan het grotendeelscriterium.