Belanghebbende, woonachtig in Frankrijk en in een Franse geregistreerde partnerschap, betwistte de aanslag inkomstenbelasting 2021 waarbij de inspecteur slechts eenmaal het heffingvrije vermogen in box 3 had toegepast. De rechtbank bevestigt dat de partner van belanghebbende geen fiscaal partner is volgens de Nederlandse Wet IB 2001, omdat deze geen inwoner van Nederland is en niet kwalificerend is als buitenlandse belastingplichtige.
Belanghebbende stelde dat het EU-recht discriminatie oplevert door niet tweemaal het heffingvrije vermogen toe te passen, zoals bij binnenlandse belastingplichtigen. De rechtbank verwierp dit en stelde dat het heffingvrije vermogen een brongebonden aftrekpost is, die niet afhankelijk is van persoonlijke of gezinssituaties van de belastingplichtige.
Omdat belastingheffing in box 3 plaatsvindt over de woning in Nederland, heeft belanghebbende recht op eenmaal het heffingvrije vermogen. De partner heeft dit recht niet omdat zij geen belasting in box 3 betaalt en geen mede-eigenaar is van de woning. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van het Hof van Justitie EU dat in uitzonderlijke gevallen de woonstaat rekening houdt met persoonlijke omstandigheden, maar belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit hier van toepassing is.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag na vermindering. Ook de belastingrente blijft in stand. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.