Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
Feiten
.
Op grond van artikel 2:1 lid 2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, verzoek ik echter om toezending van een actuele machtiging ondertekend door een bij uw bedrijf daartoe gemandateerde functionaris, waaruit blijkt dat uw bedrijf met betrekking tot dit dossier, vertegenwoordigd wordt door [b.v.]
Beoordeling door de rechtbank
Overwegingen
ontvangstbevestiging bezwaarschrift” met dagtekening 22 augustus 2019 afzender Belastingdienst/kantoor Maastricht (zie 2.1) overgelegd. Die stukken worden niet genoemd door de inspecteur in het feitenrelaas en zijn ook niet zijn toegevoegd als zaakstukken. Ter zitting heeft de inspecteur de authenticiteit van deze stukken niet betwist. De inhoud van die twee ontvangstbevestigingen laten naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende zelfstandig bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslagen op het moment dat er nog geen gemachtigde betrokken was. Deze brieven van de inspecteur bevatten namelijk de volgende elementen:
Op 12-08-2019 heb ik uw brief ontvangen waarin u bezwaar maakt tegen de naheffingsaanslag BPM van 22-08-2019 met het nummer (…)”waarbij het numerieke kenmerk is genoemd van deze twee specifieke naheffingsaanslagen;
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- verklaart de bezwaren ontvankelijk;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert naheffingsaanslag 1 tot € 3.944 en vermindert de daarmee samenhangende rentebeschikking dienovereenkomstig;
- vermindert naheffingsaanslag 2 tot € 1.435 en vermindert de daarmee samenhangende rentebeschikking dienovereenkomstig;
- veroordeelt de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 2.906 te betalen op een bankrekening op naam van belanghebbende;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 94 te betalen op een bankrekening op naam van belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 178 aan belanghebbende moet vergoeden door dit bedrag te storten op een bankrekening op naam van belanghebbende;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.750 aan proceskosten aan belanghebbende te betalen op een bankrekening op naam van belanghebbende;
- veroordeelt de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de wettelijke rente over de immateriële schade vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van het griffierecht, de proceskosten en de immateriële schade vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank.
Informatie over hoger beroep
Formulieren en inloggen (https://mijn.rechtspraak.nl/keuze)” op
www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.