Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting die door de heffingsambtenaar van de gemeente Schouwen-Duiveland was opgelegd. Dit bezwaar werd gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. Vervolgens ontstond een geschil over de hoogte van de proceskostenvergoeding, waarbij belanghebbende vond dat een hogere wegingsfactor van 0,5 (licht) toegepast had moeten worden in plaats van 0,25 (zeer licht).
De rechtbank behandelde het beroep op 5 januari 2024, waarbij belanghebbende en zijn gemachtigde afwezig waren. De heffingsambtenaar stelde dat het bezwaar slechts een pro-forma bezwaarschrift betrof zonder nadere gronden en dat daarom terecht een lage wegingsfactor was toegekend. De rechtbank verwierp het verweer dat belanghebbende geen procesbelang had en oordeelde dat belanghebbende ontvankelijk was.
De rechtbank stelde vast dat het bezwaarschrift inderdaad weinig inspanning vereiste en dat de zaak niet complex was, waardoor de toegepaste wegingsfactor van 0,25 passend was. De rechtbank bevestigde dat deze wegingsfactor in overeenstemming is met de beleidsregels van de gemeente. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor de proceskostenvergoeding in bezwaar in stand bleef en belanghebbende het griffierecht niet terugkreeg.