ECLI:NL:RBZWB:2024:3271

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 mei 2024
Publicatiedatum
21 mei 2024
Zaaknummer
BRE 22/6076
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.17 Wet IB 2001Art. 27h lid 3 AWRArt. 28 lid 7 AWRBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag inkomstenbelasting 2018 wegens niet-bestaande winstuitdeling

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018, waarbij een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang was vastgesteld op basis van een vermeende winstuitdeling van een Cypriotische vennootschap. De inspecteur had deze aanslag verminderd na bezwaar, maar de vermeende winstuitdeling bleef onderdeel van de aanslag.

Tijdens de zitting op 4 april 2024 hebben partijen afgesproken dat de vermeende winstuitdeling niet in 2018 heeft plaatsgevonden, waardoor dit onderdeel uit de procedure werd genomen. De rechtbank besloot daarom de aanslag en de belastingrente dienovereenkomstig te verminderen.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en bepaalde dat de aanslag wordt verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.397 en een nihil belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende, waarbij de proceskostenvergoeding werd berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2018 en de belastingrente worden verminderd wegens het niet plaatsvinden van de vermeende winstuitdeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/6076

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 mei 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit Mechelen, belanghebbende

(gemachtigde: mr. P.M. den Dulk RB),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 14 december 2022.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.397 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 163.006.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 3.107 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd tot een berekend naar belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.397 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 55.250. De belastingrentebeschikking is verminderd naar € 1.053.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, de echtgenoot van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken van de echtgenoot van belanghebbende met nummers 22/6074 en 22/6075.
1.5.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

Feiten

2. Belanghebbende houdt middellijk alle aandelen in de naar Cypriotisch recht opgerichte vennootschap [Ltd.] (de vennootschap). Het door de inspecteur na uitspraak op bezwaar op de aanslag IB/VV 2018 vastgestelde belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang ziet op een vermeende winstuitdeling van de vennootschap aan belanghebbende, die op grond van artikel 2.17 van de Wet IB 2001 aan belanghebbende en haar echtgenoot ieder voor de helft, een bedrag van € 55.250, is toegerekend.

Beoordeling door de rechtbank

3. Ter zitting hebben partijen met elkaar afgesproken dat de onder 2. genoemde vermeende winstuitdeling in ieder geval niet in 2018 heeft plaatsgevonden. Deze correctie is daarmee geen onderdeel meer van de rechtsstrijd in deze procedure en dient te vervallen. De rechtbank zal de aanslag IB/PVV 2018 op dit punt verminderen. Voor het overige zijn er geen geschilpunten met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2018.
4. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, zal de rechtbank het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig verminderen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de aanslag IB/PVV 2018 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.397 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Voor het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018 is reeds door de inspecteur bij beschikking een kostenvergoeding toegekend [1] . Belanghebbende krijgt daarom alleen nog een vergoeding voor de beroepsfase.
5.2.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750. Omdat het beroep van de echtgenoot in de zaak met nummer BRE 22/6075 eveneens gegrond is en met de onderhavige zaak samenhangt, geldt de vergoeding voor beide zaken samen. Aan belanghebbende zal daarom een vergoeding van in totaal € 875 (=€ 1.750/2) worden toegekend. In de zaak met nummer BRE 22/6075 zal aan de echtgenoot van belanghebbende ook een vergoeding van € 875 worden toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag 2018 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.397 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 875 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. S.J. Willems-Ruesink, leden, in aanwezigheid van mr. A. Wiskerke-Hovanesian, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2024.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [2]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Bij beschikking van 24 november 2022.
2.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.