Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
,verweerder.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser ontving vanaf 2019 een bijstandsuitkering voor alleenstaanden. Op 4 oktober 2022 gaf hij aan samen te wonen, maar dit werd niet juist verwerkt, waardoor hij te veel bijstand ontving. De ISD trok het recht op bijstand in en kende een bijstandsuitkering toe op basis van gehuwdennorm met niet-rechthebbende partner. Vervolgens vorderde de ISD een bedrag van €7.582,41 terug, later beperkt tot €1.874,30.
Eiser betwistte de hoogte van de terugvordering, met name het inkomen van zijn partner, maar de rechtbank stelde vast dat de ISD dit inkomen niet had betrokken bij de berekening. Ook stelde eiser dat er geen belangenafweging had plaatsgevonden, maar de rechtbank oordeelde dat de ISD haar discretionaire bevoegdheid rechtmatig had uitgeoefend en het terugvorderen proportioneel was.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het besluit tot terugvordering in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter T.I. van Term op 23 mei 2024 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van €1.874,30 bijstand wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.