Appellant vroeg bijstand aan per 1 april 2019 na beëindiging van zijn Ziektewet-uitkering. Hij overhandigde bankafschriften met diverse bijschrijvingen en verklaarde te leven van verkoop van privé-goederen en leningen van familie. Het college verstrekte voorschotten maar wees de aanvraag uiteindelijk af wegens onvoldoende aannemelijkheid van bijstandbehoevendheid.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende inzicht gaf in de herkomst van ruim € 14.000 aan bijschrijvingen, die niet plausibel verklaard werden door verkoop van privé-goederen. Ook het pingedrag wees op andere inkomsten. Het college was daarom bevoegd de bijstand af te wijzen en de voorschotten terug te vorderen.
Echter stelde de Raad vast dat het college bij de terugvordering geen belangenafweging had gemaakt zoals wettelijk vereist. Dit leidde tot vernietiging van het terugvorderingsbesluit en opdracht aan het college om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de belangenafweging en het beoordelingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten aan appellant en bepaalde dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad mogelijk is.