Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene werd een verkeersboete opgelegd wegens 4 km/u te hard rijden binnen de bebouwde kom op 18 augustus 2021 te Tilburg. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, die door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde betrokkene beroep in bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd voldoende vaststaat, mede op basis van de verklaring van de verbalisant en stukken over de aanwezigheid van bebording voor en na de overtreding. Het verweer dat de bebording niet deugdelijk was, werd verworpen.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van behandeling van de zaak is overschreden met 33 weken, aangezien de boete op 7 september 2021 werd opgelegd en de procedure tot april 2024 duurde. Daarom werd de boete gematigd met 25%. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van €437,50 toegekend voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter.
De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag van €7,25 terug te betalen aan betrokkene. De beslissing van de officier van justitie werd gewijzigd in die zin dat de boete werd gematigd tot €21,75 plus €9 administratiekosten.
De uitspraak werd gedaan door kantonrechter S.W.M. Speekenbrink op 23 april 2024. Betrokkene kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, boete met 25% gematigd en proceskostenvergoeding toegekend.