De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep van eiseres, bewindvoerder van betrokkene, tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda. Het college had de bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten beëindigd per 1 maart 2023, de bijzondere bijstand over de periode 1 augustus 2022 tot en met 28 februari 2023 ingetrokken en teruggevorderd, en de aanvraag om bijzondere bijstand voor rechtsbijstand afgewezen.
Betrokkene was verhuisd naar een woonzorgcentrum vanwege een Wlz-indicatie en ontving een WIA-uitkering. Het college hanteerde de lagere inrichtingsnorm voor een alleenstaande in een inrichting, waardoor betrokkene volgens het college voldoende draagkracht had om de kosten zelf te voldoen. Eiseres voerde aan dat betrokkene in een zelfstandige woonruimte verbleef met hoge servicekosten en eigen bijdrage, en dat het individualiseringsbeginsel van toepassing was.
De rechtbank oordeelde dat het verblijf in het woonzorgcentrum kwalificeert als verblijf in een inrichting volgens de Participatiewet, ongeacht zelfstandige woonruimte. De lagere inrichtingsnorm is daarom van toepassing. De rechtbank vond dat het college terecht de draagkracht had berekend en dat de extra kosten onvoldoende waren onderbouwd om daarvan af te wijken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de besluiten van het college bevestigd.