Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €920.000 en na bezwaar verlaagd naar €879.000. De rechtbank beoordeelde of deze waarde correct was vastgesteld op basis van de vergelijkingsmethode met referentiewoningen.
De heffingsambtenaar gebruikte een taxatiematrix en referentiewoningen die qua bouwjaar, ligging en oppervlakte voldoende vergelijkbaar waren. Ook werd rekening gehouden met verschillen zoals dakkapel, berging, en grondwaarde. Belanghebbende stelde echter dat de woonoppervlakte onjuist was vastgesteld, waarbij de heffingsambtenaar uitging van 175 m² terwijl volgens bouwtekeningen 165 m² correct zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de gebruikte oppervlakte niet aannemelijk had gemaakt, omdat hij niet kon toelichten of de gegevens uit de BAG correct waren. Hierdoor was de WOZ-waarde te hoog vastgesteld. Belanghebbende maakte zijn lagere waarde niet aannemelijk. Daarom stelde de rechtbank de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €855.000 en verlaagde de aanslag OZB dienovereenkomstig.