Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Tussen partijen vaststaande feiten
Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
Beoordeling van het geschil
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €221.000 voor het kalenderjaar 2014. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam.
Het geschil betrof de juiste waarde van de woning, waarbij belanghebbende een lagere waarde van €198.000 voorstond, onderbouwd met een taxatierapport van een externe taxateur. De heffingsambtenaar verdedigde de oorspronkelijke waarde. Het hof heeft het taxatierapport en de gebruikte waarderingsmethoden beoordeeld, waarbij het belanghebbende niet is gelukt om de lagere waarde aannemelijk te maken.
Het hof onderschreef de methode van de heffingsambtenaar, die de waarde had bepaald via systematische vergelijking met vergelijkbare woningen, en wees de kritiek op de gebruikte vergelijkingsobjecten en meetmethoden af. Ook het betoog over afwijkingen van de NEN 2580 norm en de waardering van de opstal werden verworpen.
Het hof concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €221.000 wordt bevestigd.