ECLI:NL:RBZWB:2024:4571
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek bijstandsuitkering met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Eiser verzorgde tot 8 augustus 2022 een persoon en ontving daarvoor een persoonsgebonden budget. Na het stoppen van deze zorg heeft eiser op 16 september 2022 een werkloosheidsuitkering aangevraagd bij het UWV, die op 21 september 2022 werd afgewezen. Vervolgens vroeg eiser op 30 januari 2023 een bijstandsuitkering aan met terugwerkende kracht vanaf 8 augustus 2022. Het college wees dit verzoek af en kende bijstand toe vanaf de datum van melding, 30 januari 2023.
Eiser voerde aan dat hij door omstandigheden buiten zijn schuld niet eerder een bijstandsaanvraag kon indienen, omdat hij het afwijzende besluit van het UWV niet had ontvangen en hulp had ingeschakeld bij Sociaal Raadsliedenwerk. De rechtbank oordeelde dat eiser niet tijdig heeft gehandeld na de afwijzing van de WW-uitkering en dat het handelen of nalaten van hulpverleners aan eiser moet worden toegerekend. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een terugwerkende uitkering rechtvaardigen.
De rechtbank bevestigde de vaste rechtspraak dat bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt toegekend vóór de datum van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Omdat eiser niet spoedig na de afwijzing van de WW-uitkering een bijstandsaanvraag heeft ingediend en geen medische of psychische belemmeringen aannemelijk maakte, werd het beroep ongegrond verklaard.
Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter V.M. Schotanus op 4 juli 2024 en is openbaar gemaakt via Rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard en de uitkering wordt toegekend vanaf 30 januari 2023.