Belanghebbende, gebruiker van een hotelobject met diverse voorzieningen, betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van €2.613.000 per 1 januari 2021. De heffingsambtenaar had deze waarde vastgesteld op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode, onderbouwd met verkoopcijfers van vergelijkbare objecten. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, ondanks het ontbreken van onderliggende koop- en huurovereenkomsten.
Belanghebbende voerde aan dat de coronapandemie en een aanslagenaffaire onvoldoende in de waardebepaling waren verwerkt en dat de gehanteerde kapitalisatiefactor te hoog was. De rechtbank stelt dat eventuele effecten van de pandemie reeds zijn verdisconteerd in de marktgegevens en dat de aanslagbiljetten overzichtelijk zijn opgesteld, waardoor geen sprake is van misleiding.
Daarnaast werd een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn gehonoreerd. De rechtbank constateerde een overschrijding van circa vijf maanden en kende een vergoeding van €50 toe. Ook werd een beperkte proceskostenvergoeding van €18,75 toegekend aan belanghebbende. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslag ongewijzigd blijven.