Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een hotel, gelegen aan een toplocatie met 41 kamers, vastgesteld op € 2.602.000 per 1 januari 2021. De heffingsambtenaar onderbouwde deze waarde met de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij verkoopcijfers van vergelijkbare hotels werden gebruikt. Belanghebbende stelde dat de waarde onvoldoende was onderbouwd, dat de coronapandemie onvoldoende was meegewogen en dat de kapitalisatiefactor te hoog was.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat het best vergelijkbare object een verouderd hotel aan zee was met een hogere waarde. De rechtbank verwierp het argument dat de coronapandemie apart moest worden meegewogen, omdat dit effect volgens de rechtbank al in de transacties was verwerkt.
Daarnaast kende de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe van € 50 wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer vijf maanden in de bezwaar- en beroepsfase. Ook werd een beperkte proceskostenvergoeding toegekend. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslag OZB gehandhaafd blijven.