ECLI:NL:RBZWB:2024:5027

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 juli 2024
Publicatiedatum
22 juli 2024
Zaaknummer
23/9772 en 24/1103 t/m 24/1106
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 10, tweede lid, Wet op de dividendbelasting 1965Wet Overige fiscale maatregelen 2008, artikel XXVI, leden 8 en 9
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing teruggaafverzoeken dividendbelasting op grond van Unierecht en overgangsrecht

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2003 tot en met 2007. De rechtbank heeft de zaken samengevoegd en beoordeeld zonder zitting, waarbij de inspecteur geen gebruik maakte van het recht op mondelinge behandeling.

Belanghebbende voerde aan dat op grond van het Unierecht en de status als fiscale beleggingsinstelling (fbi) recht bestaat op teruggaaf. De rechtbank oordeelde dat voor boekjaren vóór 1 januari 2008 het overgangsrecht van toepassing is, waarbij de voormalige teruggaafregeling voor fbi’s geldt. De gronden van belanghebbende, met name het regime van afdrachtvermindering, slagen niet.

Verder heeft belanghebbende niet kenbaar gemaakt in te stemmen met een vervangende betaling zoals voorgeschreven door de Hoge Raad, waardoor geen recht op teruggaaf bestaat. De rechtbank ziet geen redelijke twijfel aan de verenigbaarheid van de voorgeschreven rechtsherstelwijze met het Unierecht en wijst het beroep ongegrond. Ook de rentevergoeding wordt afgewezen. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier I. van Wijk op 22 juli 2024 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De beroepen van belanghebbende worden ongegrond verklaard en teruggaaf van dividendbelasting wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/9772 en 24/1103 tot en met 24/1106

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats] ([land]), belanghebbende
(gemachtigde: mr. M. Sanders),
en

de inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur).

Inleiding

Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend tegen de uitspraak van de inspecteur van 14 augustus 2023 op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende jaren, waaraan de rechtbank de volgende zaaknummers heeft toegekend:
2003 (zaaknummer 23/9772 [1] );
  • 2004 (zaaknummer 24/1103);
  • 2005 (zaaknummer 24/1104);
  • 2006 (zaaknummer 24/1105);
  • 2007 (zaaknummer 24/1106).
Een zitting is met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Awb achterwege gebleven. De inspecteur heeft in het verweerschrift van 4 januari 2024 expliciet gemeld dat hij geen gebruik wil maken van het recht om op zitting te worden gehoord en belanghebbende heeft dit gedaan bij brief van 8 april 2024.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht geen teruggaven van dividendbelasting verleend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van dividendbelasting?
Belanghebbende stelt – kort gezegd – met een beroep op het Unierecht dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi).
Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 [2] , is – kort gezegd – voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren die aanvangen vóór 1 januari 2008 de voormalige teruggaafregeling voor fbi’s [3] van belang.
De gronden die belanghebbende heeft aangevoerd betreffen het regime van de afdrachtvermindering, zodat deze gronden reeds om die reden niet slagen.
De rechtbank is van oordeel dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen. Belanghebbende heeft niet kenbaar gemaakt in te stemmen met het doen van een vervangende betaling als bedoeld in onderdeel 5.4 van de beslissing van de Hoge Raad. [4]
Belanghebbende heeft dan ook geen recht op teruggaaf van dividendbelasting.
De rechtbank acht onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat sprake is van redelijke twijfel dat de door de Hoge Raad voorgeschreven wijze van rechtsherstel verenigbaar is met het Unierecht. [5]
Ook wat belanghebbende in dit verband aanvoert onder verwijzing naar het arrest L-Fund [6] is geen aanleiding voor een ander oordeel. [7] De rechtbank ziet geen aanleiding de beroepen aan te houden.
Gelet hierop wordt niet toegekomen aan de behandeling van de overige verweren van de inspecteur.
Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.

Conclusie en gevolgen

De beroepen zijn ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen van belanghebbende ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 22 juli 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Bij ontvangst van het beroepschrift over de jaren 2003 tot en met 2007 heeft de rechtbank aan de zaken zaaknummer 23/9772 toegekend. Op een later moment is zaaknummer 23/9772 toegekend aan de zaak over het jaar 2003 en zijn nieuwe zaaknummers, 24/1103 tot en met 24/1106 toegekend aan de zaken over respectievelijk de jaren 2004 tot en met 2007.
2.Stb. 2007, 563.
3.Artikel 10, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965, zoals dat lid luidde tot zijn vervallen bij de Wet Overige fiscale maatregelen 2008.
4.Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1674.
5.ECLI:NL:RBZWB:2021:264, rov. 4.2.7 tot en met 4.2.14.
6.HvJ EU 27 april 2023, C-537/20, ECLI:EU:C:2023:339.
7.Vgl. de conclusie van AG Ettema van 3 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:988.