De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde beroepen tegen navorderingsaanslagen IB/PVV over 2006 en 2007 opgelegd aan de erven van belanghebbende. De inspecteur baseerde de aanslagen op informatie over een Zwitserse bankrekening die pas in 2018 werd verkregen, en schatte het niet aangegeven vermogen voor die jaren.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur beschikte over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en dat de navorderingsaanslagen tijdig zijn opgelegd, mede door verlengd uitstel voor het doen van aangifte. Echter, de schatting van het niet aangegeven vermogen was onvoldoende onderbouwd en te onzeker om aan te nemen dat belastingplichtige niet de vereiste aangifte had gedaan.
Daarom vernietigde de rechtbank de navorderingsaanslagen en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbenden. De uitspraak is openbaar en onherroepelijk na het verstrijken van de beroepstermijn.