Belanghebbende werd navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd over 2006 en 2007 wegens vermeend niet aangegeven buitenlands vermogen op een Zwitserse bankrekening. De inspecteur baseerde dit op informatie van Zwitserse autoriteiten en schattingen van het saldo in die jaren.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur een nieuw feit had, namelijk de informatie over de Zwitserse bankrekening die pas na het opleggen van de oorspronkelijke aanslagen bekend werd. Ook was de navorderingstermijn verlengd door uitstel van aangifte, zodat de aanslagen tijdig zijn opgelegd.
Echter, de rechtbank vindt dat de inspecteur onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in 2006 en 2007 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De schattingen van het saldo in die jaren zijn te onzeker en gebaseerd op latere jaren. Daarom worden de navorderingsaanslagen en de heffingsrente vernietigd.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. De uitspraak is openbaar en kan binnen zes weken worden bestreden door hoger beroep.