Belanghebbende, een bv binnen een concern, kreeg een naheffingsaanslag en een verzuimboete opgelegd wegens niet tijdig betalen van omzetbelasting over juni 2022. De verzuimboete werd opgelegd zonder voorafgaande aankondiging. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de boete, stellende dat interne personeelswisselingen en miscommunicatie binnen de financiële afdeling de oorzaak waren van het betalingsverzuim.
De rechtbank beoordeelde of het verdedigingsbeginsel en motiveringsbeginsel waren geschonden. Hoewel het motiveringsbeginsel werd geschonden doordat de inspecteur onvoldoende heeft gemotiveerd in de uitspraak op bezwaar, leidde dit niet tot vernietiging van de boete. Het verdedigingsbeginsel werd niet geschonden volgens nationaal recht, en het Europese recht liet de rechtbank in het midden.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van afwezigheid van alle schuld (avas), omdat bij wisseling van personeel extra zorg verwacht mag worden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel werd verworpen, omdat slechts twee van zes boetes binnen het concern waren vernietigd en geen toezeggingen aan belanghebbende waren gedaan.
Hoewel de boete terecht was, achtte de rechtbank de situatie van samenloop van omstandigheden binnen het concern een bijzondere omstandigheid die matiging van de boete met 15% rechtvaardigt. De boete werd verlaagd van €426 naar €362. Tevens werd het griffierecht en een proceskostenvergoeding van €656 toegekend aan belanghebbende.