Appellant ontving bijstand vanaf 27 november 2001 en stond sinds 2 november 2012 ingeschreven op een uitkeringsadres. Het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen startte een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand nadat een derde op het adres werd bijgeschreven. Dit onderzoek betrof onder meer het verbruik van water, gas en elektriciteit en waarnemingen bij het adres.
Op basis van deze gegevens besloot het college op 23 oktober 2015 de bijstand van appellant in te trekken over de periode van 2 november 2012 tot 28 juni 2015 en de kosten terug te vorderen, omdat appellant niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres zou hebben gehad. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het waterverbruik niet extreem laag was en dat zijn leefstijl het lage verbruik verklaart. De Raad oordeelde echter dat het water-, gas- en elektriciteitsverbruik over twee periodes extreem laag was en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij daar woonde. Voor de periode van 2 mei 2013 tot 29 mei 2014 was het waterverbruik weliswaar laag, maar het college had dit niet met nadere gegevens onderbouwd, waardoor het besluit voor die periode onvoldoende gemotiveerd was.
De Raad vernietigde daarom het besluit voor die periode en bepaalde dat het college een nieuwe beslissing moet nemen over de terugvordering. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.