Eisers hebben beroep ingesteld tegen een omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk aan een vergunninghouder heeft verleend voor kamergewijze verhuur van een woning. De vergunning was aanvankelijk gebaseerd op een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uit de beheersverordening, maar de rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat deze grondslag onjuist was omdat er geen bijzondere omstandigheden waren.
Het college heeft daarop een aanvullende motivering ingediend waarin het de vergunning baseert op een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid uit artikel 2.12, eerste lid sub a onder 2 van de Wabo in samenhang met artikel 4, negende lid van Bijlage II van het Bor. De rechtbank toetst deze nieuwe grondslag en komt tot het oordeel dat het college bevoegd was deze toe te passen, omdat het gebruik van de woning voor kamerverhuur past binnen een goede ruimtelijke ordening en geen onaanvaardbare parkeersituatie veroorzaakt.
De rechtbank vernietigt het besluit voor zover het gebaseerd is op de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand vanwege de juiste toepassing van de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid. Eisers krijgen een proceskostenvergoeding toegekend, die het college moet betalen, en het betaalde griffierecht wordt eveneens vergoed.
De uitspraak is gedaan door rechter R.P. Broeders op 31 januari 2024 en gepubliceerd via rechtspraak.nl. Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van de uitspraak.