ECLI:NL:RBZWB:2024:6898
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling WW-dagloon wegens uitbetaling overuren aan einde dienstverband
Eiseres maakte bezwaar tegen de vaststelling van haar WW-dagloon door het UWV, omdat zij meent dat de aan het einde van haar dienstverband uitbetaalde overuren in de berekening hadden moeten worden meegenomen. Zij stelt dat deze overuren tijdens de referteperiode zijn gemaakt maar niet konden worden opgenomen of uitbetaald, waardoor het dagloon geen redelijke afspiegeling vormt van haar verdiensten.
Het UWV betwist dit en stelt dat het gaat om uitbetaling van verlofuren over overuren bij het beëindigen van het dienstverband en dat eiseres niet heeft aangetoond dat deze uren tijdens de referteperiode vorderbaar maar niet inbaar waren. De rechtbank oordeelt dat de uitzondering op de hoofdregel van het Dagloonbesluit niet van toepassing is, omdat eiseres niet heeft aangetoond dat zij haar werkgever tijdig heeft gemaand tot betaling en dat het loon niet inbaar was.
De rechtbank concludeert dat het dagloon een redelijke afspiegeling is van het loon in de referteperiode en dat toepassing van de dagloonregels niet tot een onevenredige uitkomst leidt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, het dagloon blijft vastgesteld op € 144,17 en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van het WW-dagloon wordt ongegrond verklaard en het dagloon van € 144,17 blijft gehandhaafd.