ECLI:NL:CRVB:2017:2462
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inbaarheid overuren bij berekening dagloon WW-uitkering
Appellant was vanaf maart 2014 in dienst bij werkgeefster en werd in september 2014 non-actief gesteld met behoud van salaris. In oktober 2014 werd hij door een kort geding weer toegelaten tot zijn werkzaamheden. Op 28 november 2014 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarbij werd overeengekomen dat de overuren over de periode van non-actiefstelling zouden worden uitbetaald. Deze betaling vond plaats in december 2014, na afloop van de referteperiode voor de dagloonberekening.
Het geschil betrof of deze na de referteperiode betaalde overuren toch mee moesten worden genomen in het dagloon voor de WW-uitkering. De rechtbank had geoordeeld dat appellant niet had aangetoond dat hij de werkgever binnen de referteperiode op ondubbelzinnige wijze had gemaand tot betaling, waardoor het loon niet als niet-inbaar kon worden beschouwd.
In hoger beroep handhaafde appellant dit standpunt, stellende dat hij pas na werkhervatting in oktober 2014 aanspraak maakte op betaling en dat de betaling niet binnen de referteperiode kon plaatsvinden. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende had aangetoond dat hij tijdig had gemaand en dat de vaststellingsovereenkomst juist de bereidheid tot betaling van de werkgever aantoonde. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en wees het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.