ECLI:NL:CRVB:2024:1548
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling WIA-dagloon ondanks startersregeling tijdens WW-uitkering
Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van zijn WIA-uitkering, omdat het UWV het dagloon had berekend op basis van het SV-loon dat lager uitviel door zijn deelname aan de startersregeling tijdens zijn WW-uitkering. Hij stelde dat deze verlaging niet meegenomen had mogen worden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en verwierp het beroep tegen het gewijzigde besluit waarin het dagloon werd vastgesteld op €166,02. De rechtbank oordeelde dat de startersregeling geen punitieve sanctie is en dat het UWV correct heeft gehandeld volgens de wettelijke bepalingen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, waaronder strijd met het vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel, en bestaanszekerheid. De Raad verwierp deze gronden, verwijzend naar vaste rechtspraak dat het loon tijdens de referteperiode bepalend is en dat geen toezeggingen zijn gedaan die het vertrouwen rechtvaardigen.
De Raad concludeert dat de vaststelling van het dagloon rechtmatig is, niet onredelijk bezwarend, en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.
De uitspraak is gedaan door C. Karman op 25 juli 2024.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV het dagloon correct heeft vastgesteld inclusief de verlaging door de startersregeling.