ECLI:NL:RBZWB:2024:7259
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag BPM met toekenning immateriële schadevergoeding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van € 6.708 opgelegd door de inspecteur. De kern van het geschil betrof de toepasbaarheid van de herleidingsmethode, de hoogte van de handelsinkoopwaarde en de waardevermindering wegens schade aan de auto.
De rechtbank oordeelde dat de herleidingsmethode niet van toepassing was en stelde de handelsinkoopwaarde vast op € 43.373, gebaseerd op de koerslijst van de inspecteur, waarbij belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van motorschade die de waarde zou verminderen.
De naheffingsaanslag werd daarom terecht en correct vastgesteld. Wel werd belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 500 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van circa vijf maanden in de bezwaarprocedure.
Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van € 218,75 toegekend voor de rechtsbijstand bij het verzoek om schadevergoeding. Het griffierecht werd niet vergoed omdat het verzoek na een relevant arrest van de Hoge Raad was ingediend.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 500.