ECLI:NL:RBZWB:2024:7265
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van €3.718 opgelegd door de inspecteur. De kern van het geschil betrof de toepassing van de herleidingsmethode, het ontbreken van een inkoopfactuur en de waardevermindering wegens schade aan de auto. De rechtbank oordeelde dat de herleidingsmethode terecht werd toegepast en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de door hem gestelde schade hoger was dan door de inspecteur aangenomen.
De rechtbank stelde dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde en dat de foto’s en taxatierapporten onvoldoende bewijs boden voor een hogere waardevermindering. De naheffingsaanslag werd dan ook terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.
Daarnaast behandelde de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Geconstateerd werd dat de bezwaarprocedure ruim vijf maanden langer dan de redelijke termijn had geduurd, waardoor belanghebbende recht had op een vergoeding van €500. Tevens werden proceskosten toegekend voor het indienen van dit verzoek.
De rechtbank wees het verzoek van de inspecteur om een artikel 8:45-verzoek tot aanlevering van de aankoopfactuur af, omdat de inkoopfactuur niet onontbeerlijk was voor de geschilbeslechting en de inspecteur reeds het gelijk aan zijn zijde had. De uitspraak werd openbaar gemaakt op 29 oktober 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van €500 en proceskosten aan belanghebbende.