ECLI:NL:RBZWB:2024:7268
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding
Belanghebbende, een vennootschap onder firma, maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de inspecteur. De aanslag betrof twee auto's waarbij de hoogte van de historische nieuwprijs en de waardevermindering wegens schade centraal stonden. De rechtbank oordeelde dat de historische nieuwprijs correct was vastgesteld en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van meer dan normale gebruiksschade.
De inspecteur had de CO2-uitstoot van beide voertuigen verhoogd, wat leidde tot een hogere BPM-aanslag. De rechtbank bevestigde dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag was opgelegd. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de redelijke termijn voor de afhandeling van het bezwaar met ongeveer vijf maanden was overschreden.
Op grond hiervan kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 500 toe, waarvan € 200 voor rekening van de inspecteur en € 300 voor rekening van de Staat. Tevens werd proceskostenvergoeding toegekend voor de rechtsbijstand bij het verzoek om schadevergoeding. Het beroep werd verder ongegrond verklaard en het griffierecht werd niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.