Eiser deed op 2 augustus 2023 aangifte van hervestiging met een nieuw woonadres. Het college Tilburg weigerde hieraan gevolg te geven, omdat het adres volgens hen niet het woonadres van eiser was. Na bezwaar handhaafde het college dit besluit. De rechtbank beoordeelde het beroep en oordeelde dat het college onvoldoende objectieve en verifieerbare gegevens had aangevoerd om het standpunt te dragen dat het opgegeven adres niet het woonadres was.
De rechtbank stelde vast dat het begrip woonadres in de Wet Brp feitelijk wordt opgevat en dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het huisbezoek, gesprekken en foto’s zouden wijzen op het ontbreken van bewoning. Verslagen van huisbezoeken waren summier en boden geen duidelijke onderbouwing. Ook was het ontbreken van een verslag van een huisbezoek en het feit dat eiser niet thuis was op een bepaald moment onvoldoende om het besluit te rechtvaardigen.
Verder was het feit dat de zoon van eiser onderwijs in Turkije volgt en verklaringen van derden onvoldoende om het woonadres te betwisten. De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.