Belanghebbende kreeg van de gemeente Breda 16 naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd omdat hij in maart 2022 zonder geldige parkeervergunning parkeerde. De heffingsambtenaar vernietigde 11 aanslagen en handhaafde 5. Belanghebbende stelde beroep in tegen deze handhaving.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende ontvankelijk was in zijn beroepen, ondanks dat het beroepschrift formeel te laat was ingediend, omdat eerdere brieven tijdig waren verzonden. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende in de periode van 11 tot en met 15 maart 2022 geen geldige vergunning had, maar dat het coulancebeleid van de heffingsambtenaar niet consistent was toegepast.
De heffingsambtenaar had niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende vóór oplegging van de gehandhaafde naheffingsaanslagen op de hoogte was van eerdere aanslagen en zijn handelen had kunnen aanpassen. De rechtbank vernietigde daarom de vier naheffingsaanslagen die waren gehandhaafd en wees het verzoek om schadevergoeding af wegens onvoldoende onderbouwing. Het beroep tegen één naheffingsaanslag werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.
De rechtbank bepaalde dat de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden, maar wees vergoeding van proceskosten af. De uitspraak is gedaan door rechter M.E. de Boer op 14 november 2024.