Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2024:7904

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 oktober 2024
Publicatiedatum
19 november 2024
Zaaknummer
23/11295
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet WOZArt. 6:22 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en schending artikel 40 Wet WOZ

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en stelde dat artikel 40 van Pro de Wet WOZ was geschonden omdat de grondstaffel, indexeringspercentages en correctiepercentages niet waren verstrekt. De heffingsambtenaar had de waarde van de woning vastgesteld op €624.000 en het bezwaar ongegrond verklaard.

Tijdens de zitting gaf de gemachtigde van belanghebbende aan dat de inhoudelijke gronden niet meer in geschil waren en dat het geschil zich beperkte tot de vraag of artikel 40 Wet Pro WOZ was geschonden. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar niet verplicht was om de indexeringspercentages en onderbouwingen daarvan te verstrekken, conform jurisprudentie van het Hof Arnhem-Leeuwarden.

De rechtbank oordeelde dat met het waarderapport en de beschikbare informatie belanghebbende voldoende gelegenheid had om de WOZ-waarde te controleren. Er was daarom geen sprake van een schending van artikel 40 Wet Pro WOZ. Het beroep werd ongegrond verklaard, de WOZ-waarde en aanslag OZB bleven gehandhaafd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11295

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Breda).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 oktober 2023.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 25 februari 2023 de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 624.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Breda voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag OZB).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam], gemachtigde van belanghebbende. Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen mr. L.J. Boone en [taxateur], taxateur.
1.5.
De rechtbank heeft het onderzoek 3 weken aangehouden, waarna op 18 september 2024 de zitting is heropend.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het is een vrijstaande woning uit bouwjaar 1972 met een oppervlakte van 155 m². Het totale perceeloppervlak bedraagt
467 m2. De woning heeft een berging en dakkapel.
3. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende aangegeven dat de inhoudelijke gronden niet meer in geschil zijn en dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank zal deze gronden daarom niet behandelen. Het geschil spitst zich enkel toe op de vraag of artikel 40 van Pro de Wet WOZ geschonden is.
Artikel 40 wet Pro WOZ
4. Belanghebbende bepleit dat de heffingsambtenaar de grondstaffel, indexeringspercentages en correctiepercentages in de bezwaarfase niet heeft verstrekt, waardoor er sprake is van schending van artikel 40 Wet Pro WOZ. Door het niet inzichtelijk verstrekken van de grondstaffel, indexeringspercentages en correctiepercentages, is belanghebbende niet in de gelegenheid gesteld om de onderbouwing en de daaruit voortkomende WOZ-waarde van de woning te controleren. Belanghebbende bepleit dat hij heeft moeten procederen om een deugdelijke motivering van het besluit te krijgen. Hierdoor dienen het griffierecht en de proceskosten van belanghebbende vergoed te worden. Dit volgt volgens belanghebbende uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. [1]
4.1.
De heffingsambtenaar bepleit dat aan belanghebbende met de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift een uitgebreid WOZ-taxatieverslag naar belanghebbende is toegezonden. Daarnaast zijn de correctiepercentages en grondstaffels op de website van BWB gepubliceerd. Partijen hebben onderlinge werkafspraken gemaakt. Uit deze afspraken blijkt dat voornoemde gegevens vermeld staan op de website van BWB. Ten aanzien van de indexeringspercentages bepleit de heffingsambtenaar dat de indexeringspercentages resultaten zijn van onder meer gegevens uit het Kadaster die door een permanente marktanalyse geanalyseerd worden. Voor zover al sprake zou zijn van een schending van artikel 40, lid 2 Wet WOZ, dan dient hieraan voorbij gegaan te worden middels artikel 6:22 Algemene Pro wet bestuursrecht. Er bestaat geen recht op proceskostenvergoeding in gevallen waarin schending van artikel 40 Wet Pro WOZ geen doorslaggevende betekenis heeft gehad bij de keuze om beroep in te stellen, aldus de heffingsambtenaar.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een schending van artikel 40 wet Pro WOZ. De rechtbank volgt de jurisprudentie die onder meer volgt uit de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden, waarin is overwogen dat de indexeringspercentages en de onderbouwingen daarvan niet onder de reikwijdte van artikel 40 lid 2 van Pro de Wet WOZ vallen. [2] Dit betekent dat de heffingsambtenaar niet verplicht is om deze gegevens aan belanghebbende te verstrekken. Met de gegevens uit het in de bezwaarfase opgemaakte waarderapport in combinatie met de door belanghebbende te raadplegen en te achterhalen informatie had belanghebbende voldoende na kunnen gaan of de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde niet te hoog is. Ook wat betreft het verschil bij gebruik van verkoopdatum en transactiedatum nu deze informatie is op te maken uit de leveringsaktes. Dit betekent dat er geen sprake is van een schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ.
4.3.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de waarde van de woning voor het belastingjaar 2023 niet te hoog vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht niet vergoed. Ook krijgt belanghebbende geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Garb, griffier, op 1 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3123.
2.Bijvoorbeeld de uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2262 en 23 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2837