ECLI:NL:RBZWB:2024:7919
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Inspecteur mocht weigeren ambtshalve vermindering IB/PVV aanslagen 2017-2020 op grond van nieuwe jurisprudentie
Belanghebbende verzocht de inspecteur om ambtshalve vermindering van de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2017 tot en met 2020, vanwege het forfaitair berekende voordeel uit sparen en beleggen dat hoger was dan het werkelijk behaalde rendement. De inspecteur wees deze verzoeken af met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022, waarin werd bevestigd dat aanslagen die onherroepelijk zijn, niet ambtshalve verminderd hoeven te worden op basis van nieuwe jurisprudentie.
Belanghebbende stelde dat zij zich beroept op eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad uit 2016 en 2019, die al vóór het onherroepelijk worden van de aanslagen was gewezen. De rechtbank oordeelde echter dat deze jurisprudentie betrekking had op het oude stelsel vóór 2017 en dat het nieuwe stelsel per 1 januari 2017 formeel was gewijzigd. Pas met het arrest van 24 december 2021 werd vastgesteld dat ook het nieuwe stelsel in strijd was met het EVRM.
De rechtbank concludeerde dat de inspecteur redelijkerwijs mocht menen dat zijn standpunt juist was op het moment van onherroepelijkheid van de aanslagen en dat de weigering tot ambtshalve vermindering daarom terecht was. De beroepen van belanghebbende werden ongegrond verklaard, en zij kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de inspecteur terecht de ambtshalve vermindering van de aanslagen heeft geweigerd.