ECLI:NL:RBZWB:2024:7920
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Inspecteur mocht weigeren ambtshalve vermindering IB/PVV aanslagen 2017-2020 op grond van nieuwe jurisprudentie
Belanghebbende heeft verzoeken ingediend tot ambtshalve vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2017 tot en met 2020. Deze verzoeken zijn afgewezen door de inspecteur, die zich baseerde op het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022 en de regels over nieuwe jurisprudentie in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling IB 2001. Belanghebbende stelde dat de onjuistheid van de aanslagen al voortvloeit uit eerdere arresten van de Hoge Raad van 2016 en 2019, die betrekking hebben op het oude stelsel vóór 2017.
De rechtbank overweegt dat de aanslagen onherroepelijk zijn vastgesteld vóór het arrest van 24 december 2021, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het forfaitaire stelsel van box 3 in strijd is met artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM. De inspecteur mocht daarom op grond van de regels over nieuwe jurisprudentie weigeren de aanslagen ambtshalve te verminderen. De eerdere jurisprudentie van 2016 en 2019 had betrekking op het oude stelsel en rechtvaardigt geen vermindering van de aanslagen die zijn opgelegd op basis van het gewijzigde stelsel vanaf 2017.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het terugvorderen van griffierecht en proceskostenvergoeding af. De uitspraak bevestigt de toepassing van de regels over nieuwe jurisprudentie en de grenzen aan ambtshalve vermindering van belastingaanslagen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de inspecteur terecht de aanslagen niet ambtshalve heeft verminderd.