Belanghebbende, een voormalig zelfstandig ondernemer die sinds 2010 haar onderneming heeft gestaakt, maakte bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over de jaren 2019 tot en met 2021.
De rechtbank oordeelt dat de beroepen tegen de Zvw-aanslagen over 2020 en 2021 niet-ontvankelijk zijn omdat belanghebbende geen belang heeft bij deze procedures, aangezien zij voor die jaren geen premie Zvw verschuldigd is. De bezwaren tegen de aanslagen over 2019 en 2020 zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn, en de verzoeken om ambtshalve vermindering zijn door de inspecteur afgewezen.
Inhoudelijk heeft belanghebbende aangevoerd dat de uitkeringen die zij ontvangt van verzekeringsmaatschappijen onbelaste schade-uitkeringen zouden zijn en dat zij ten onrechte belasting en Zvw-premie zou moeten betalen. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van het Gerechtshof en de Hoge Raad waarin deze standpunten reeds zijn verworpen en bevestigt dat de uitkeringen behoren tot het belastbaar inkomen uit werk en woning.
De rechtbank verklaart de beroepen tegen de aanslagen Zvw 2020 en 2021 niet-ontvankelijk en de overige beroepen ongegrond. Tevens wordt het griffierecht van €50 aan belanghebbende vergoed, maar wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.