ECLI:NL:RBZWB:2024:8600
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingheffing nabetaling bijstandsuitkering over eerdere jaren
Belanghebbende ontving in 2021 een nabetaling van een bijstandsuitkering die betrekking had op de jaren 2018 en 2019. De inspecteur nam dit bedrag op in het belastbaar inkomen voor 2021 en legde een aanslag IB/PVV op. Belanghebbende stelde dat de nabetaling in de jaren 2018 en 2019 belast had moeten worden, omdat het toen vorderbaar en inbaar was.
De rechtbank overwoog dat de nabetaling pas in 2021 inbaar was, omdat de gemeente pas toen tot betaling overging na een gerechtelijke procedure. Op grond van artikel 3.146 Wet IB 2001 is loon belastbaar in het jaar van ontvangst of inbaarheid, waardoor de aanslag terecht in 2021 is vastgesteld.
Belanghebbende voerde ook aan dat de aanslag onevenredig is en dat de inspecteur onzorgvuldig handelde door de nabetaling ineens te belasten. De rechtbank verwierp deze gronden, onder meer omdat toetsing van de wet aan het evenredigheidsbeginsel niet mogelijk is en er geen bijzondere omstandigheden waren die een afwijking rechtvaardigen.
De belastingrente werd eveneens gehandhaafd omdat belanghebbende daartegen geen zelfstandige gronden aanvoerde. Het beroep werd ongegrond verklaard, de aanslag en belastingrente blijven in stand en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2021 wordt ongegrond verklaard; de nabetaling bijstandsuitkering is terecht in 2021 belast.