Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen te Middelburg, met een waardepeildatum van 1 januari 2022. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €270.000 en het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft de zaak op 8 november 2024 behandeld en beoordeelt of de waarde te hoog is vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft een waarderapport en taxatiematrix overgelegd, waarin de woning is vergeleken met drie referentiewoningen in de nabijheid, die qua ligging, bouwjaar en oppervlakte vergelijkbaar zijn. De rechtbank acht deze referentiewoningen passend en vindt dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met verschillen in voorzieningen.
Belanghebbende stelde dat de voorzieningen van zijn woning gedateerd zijn en dat de waarde procentueel te sterk is gestegen ten opzichte van het voorgaande jaar. De rechtbank oordeelt dat de waardebepaling losstaat van voorgaande waardes en dat de stijging daarom niet relevant is. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de buurwoning identiek is en dat er sprake is van een begunstigend beleid.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting gehandhaafd blijven. Het griffierecht wordt niet vergoed.