ECLI:NL:RBZWB:2022:4872
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Tilburg
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning in Tilburg, welke was vastgesteld op €206.000 per 1 januari 2020. Hij stelde dat de waarde €10.000 te hoog was en voerde onder meer aan dat de waardestijging disproportioneel was ten opzichte van voorgaande jaren en naastgelegen woningen.
De rechtbank overwoog dat de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld op basis van feiten en omstandigheden rond de waardepeildatum, waarbij vergelijkingsmethoden met andere woningen centraal staan. De procentuele stijgingen van de WOZ-waarde zelf en van naastgelegen onroerende zaken zijn daarbij niet doorslaggevend.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een waardematrix, waarin vergelijkingsobjecten waren opgenomen die qua ligging, bouwjaar en grondoppervlakte voldoende vergelijkbaar waren, ondanks dat deze luxere voorzieningen hadden. Correcties in de waardematrix hielden rekening met deze verschillen. De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de waardebepaling en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde te hoog was vastgesteld.
Ook de aanwezigheid van studentenhuizen naast de woning werd door de rechtbank niet als waardeverlagend effect erkend, omdat hierover geen concrete overlast was aangetoond. Een vergissing in de uitspraak op bezwaar over het woningtype (eindwoning vs tussenwoning) deed volgens de rechtbank niet af aan de juistheid van de waardebepaling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de WOZ-waarde van €206.000 voor het belastingjaar 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €206.000 wordt ongegrond verklaard.