ECLI:NL:RBZWB:2024:8923
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding na termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 10.346 opgelegd door de inspecteur, die het bezwaar ongegrond verklaarde. De kern van het geschil betrof de juiste toepassing van de afschrijvingstabel en de herleidingsmethode bij de vaststelling van de verschuldigde BPM over een gebruikte bestelauto.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht uitgaat van de datum van afronding van het RDW-onderzoek (19 april 2022) voor het bepalen van het afschrijvingspercentage, conform de wettelijke bepalingen en jurisprudentie. Hierdoor is de naheffingsaanslag terecht en correct vastgesteld.
Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek ingediend tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert een overschrijding van circa vier maanden en kent een vergoeding van € 500 toe, waarvan € 375 voor rekening van de inspecteur en € 125 voor de Staat. Tevens worden proceskosten voor het indienen van dit verzoek toegekend.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding en een gedeeltelijke vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.