ECLI:NL:RBZWB:2024:8927

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2024
Publicatiedatum
23 december 2024
Zaaknummer
23/3413
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag BPM met toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €404 die de inspecteur oplegde vanwege een te laag opgegeven CO2-uitstoot bij de registratie van een Renault Captur. De inspecteur handhaafde de aanslag, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is omdat de herleidingsmethode die belanghebbende aanvoert niet kan worden toegepast, verwijzend naar relevante jurisprudentie en adviezen. De naheffingsaanslag is terecht en correct vastgesteld.

Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar voor de afhandeling van het bezwaar. De rechtbank constateert een overschrijding van ongeveer vier maanden en kent een schadevergoeding van €500 toe, waarbij de inspecteur en de Staat ieder voor een deel aansprakelijk worden gehouden.

Ook worden proceskosten toegekend voor de rechtsbijstand bij het verzoek om schadevergoeding. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de termijnoverschrijding op het moment van een relevante Hoge Raad-uitspraak nog niet was ingetreden.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt de inspecteur en de Staat tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten, en sluit daarmee de procedure af.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van €500 aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3413

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 mei 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 404.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: als waarnemer van de gemachtigde mr. M.U. Sahin en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2].

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 27 juli 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Renault Captur 1.3 TCe Edition One met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 846.
3.1.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat in de aangifte een te laag bedrag aan CO2-uitstoot is vermeld en daarom te weinig Bpm is voldaan. De verschuldigde Bpm moet volgens hem worden vastgesteld op € 1.419, te verminderen met een extra leeftijdskorting van € 169. De verschuldigde Bpm bedraagt in dat geval € 1.250. Met dagtekening 2 september 2022 is aan belanghebbende voor de auto een naheffingsaanslag opgelegd van € 404.

Overwegingen

4. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast.
Vooraf: artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
4.1.
De rechtbank heeft geconstateerd dat bijlage 8 bij het verweerschrift van de inspecteur zwartgelakte passages bevat. Het betreft e-mailberichten met betrekking tot de hoorgesprekken en daarbij behorende stukken. Ter zitting hebben partijen toegelicht dat de zwartgelakte passages informatie over andere belastingplichtigen betreft, welke informatie niet relevant is voor de onderhavige zaak. Dat komt de rechtbank logisch voor. Gelet op de toelichting en het feit dat belanghebbende geen bezwaar heeft geuit tegen het inbrengen van de bijlage, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding om aan de inbreng van die zwartgelakte passages gevolgen te verbinden.
Herleidingsmethode
4.2.
De beroepsgronden van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode slagen niet. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 april 2022 [1] en naar de conclusie van A-G Ettema van 22 december 2023 [2] .
Hoogte naheffingsaanslag
4.3.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
4.4.
Belanghebbende heeft in de aanvulling van de gronden van het beroep van 7 juli 2023 verzocht om toekenning van schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.5.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 12 september 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 23 december 2024. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vier maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 500. Omdat de bezwaarfase afgerond negen maanden heeft geduurd en daarmee 3 maanden te lang komt € 375 (3/4) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 125) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 875 en wegingsfactor 0,25 [3] , wat neerkomt op € 218,75. De inspecteur en de Staat moeten, ieder voor de helft, die kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed, omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 maar de redelijke termijn op de datum van dit arrest nog niet was overschreden [4] .

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 375;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 125;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 109,38 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 109,37 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 23 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

3.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
4.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.