Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlasteleggingen
feit 2: het medeplegen van het zich verschaffen van de toegang tot het besloten haventerrein van [B.V.] in [plaats 1] op 21 januari 2024 door middel van braak en/of inklimming;
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
Voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
van een middelals bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet,
en eenvervoermiddel voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededader(s), wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
terrein van [B.V.] , door middel van inklimming;
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De benadeelde partij
€ 250,-, gelet op de omstandigheden, de onderbouwing die aan de vordering ten grondslag ligt en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat het slachtoffer na het incident voor een periode van twee tot drie maanden lichamelijk klachten heeft gehad. Het slachtoffer had onder meer last van zijn kaak en wang, kon nauwelijks zijn mond opendoen en had moeite met kauwen en slikken. Ook had hij de eerste weken regelmatig hoofdpijn en had hij moeite met slapen. De rechtbank zal het overige deel van de vordering afwijzen.
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
Strafbaarheid
een werkstraf van 80 (tachtig) uren;
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
40 (veertig) dagen;
een jeugddetentie van 78 (achtenzeventig) dagen, waarvan 60 (zestig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
bijzondere voorwaardendat verdachte tijdens de proeftijd:
van rechtswege gelden de bijzondere voorwaarden:
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van
zich niet op te houden in de havens in Vlissingen en Rotterdam;
1 (een) week, met een totale duur van ten hoogste 3 (drie) maanden;
dadelijk uitvoerbaaris omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen;
[slachtoffer]van
€ 250,- (tweehonderdvijftig euro)aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 januari 2023 tot aan de dag der voldoening;
€ 250,- (tweehonderdvijftig euro)te betalen, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2023 tot aan de dag der voldoening;
0 (nul) dagen gijzelingkan worden toegepast;