Uitspraak
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil
3.De beoordeling
4.De beslissing
woensdag 19 maart 2025 te 09.00 uurvoor het overleggen van verhinderdata door partijen voor de maanden augustus, september en oktober 2025;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak vordert de werknemer afrekening van zijn dienstverband van de Gemeente Breda, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente. De Gemeente voert verweer en stelt een aanzienlijke vordering op de werknemer te hebben, die zij wenst te verrekenen met de afrekening. De rechtbank verwees een deel van de handelszaak naar de kantonrechter ter verdere behandeling.
De Gemeente verzoekt de procedure aan te houden totdat de handelszaak is beslist, om tegenstrijdige uitspraken en restitutierisico te voorkomen. De werknemer betwist dat hij al ander werk heeft gevonden en stelt dat de aanhouding zijn financiële positie schaadt. Hij pleit voor een mondelinge behandeling na de handelszaak.
De kantonrechter weegt dat de afrekening noodzakelijk kan zijn voor het inkomen van de werknemer, maar ook rekening moet houden met de mogelijke verrekening door de Gemeente. Gezien de afhankelijkheid van de verrekeningskwestie van de handelszaak, acht de kantonrechter een korte aanhouding gerechtvaardigd. Partijen worden verzocht hun beschikbaarheid op te geven voor een mondelinge behandeling in augustus, september of oktober 2025.
De proceskosten in het incident worden gecompenseerd en verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: De procedure wordt kort aangehouden in afwachting van de handelszaak, met proceskostencompensatie in het incident.