Belanghebbende, een in Nederland wonende Nederlandse belastingplichtige, heeft in 2020 bedragen betaald aan het Luxemburgse Centre Commun de la Sécurité Sociale (CCSS) als vrijwillige voortzetting van een voormalige Luxemburgse pensioenregeling (CNAP). Hij vorderde deze bedragen in mindering te brengen op zijn inkomen uit werk en woning (box 1) in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2020.
De inspecteur heeft deze aftrek geweigerd en het bezwaar van belanghebbende afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de door belanghebbende betaalde bedragen niet kwalificeren als premies voor lijfrente zoals bedoeld in de Wet IB 2001, omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de bewijslast hiervoor. De vergoeding van de werkgever aan belanghebbende betreft een geldelijke vergoeding die belanghebbende vrijwillig heeft gebruikt voor de voortzetting van de pensioenregeling, waardoor geen sprake is van inhouding of aanspraak op pensioenpremies.
Belanghebbende voerde ook aan dat het onderscheid in behandeling van buitenlandse pensioenverzekeraars discriminerend is en in strijd met het Unierecht, en dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. De rechtbank gaat hier niet op in omdat de premies niet als lijfrentepremies kwalificeren. Verder oordeelt de rechtbank dat de inspecteur niet onzorgvuldig heeft gehandeld en dat het motiveringsbeginsel niet is geschonden.
De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de aanslag IB/PVV 2020 inclusief belastingrente. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of vergoeding van proceskosten.